Leestijd: 6 minuten
Dit jaar is het 150 jaar geleden dat in Amerika het eerste telefoongesprek werd gevoerd. Maar de telefoon werd in 1860 al uitgevonden. De geschiedenis van de telefoon begint bij de Duitse Johann Phillip Reiss. In 1860 ontdekt hij de telefoon. Hij overlijdt echter al op veertigjarige leeftijd. De Italiaan Antoni Meucci vindt de telefoon daarna opnieuw uit. Wegens geldgebrek kan hij in 1871 geen patent aanvragen. De Schots-Amerikaanse uitvinder Alexander Graham Bell verbetert de uitvinding. In 1876 gaat hij er met het patent, en de roem, vandoor.
1876: eerste telefoongesprek
Het eerste telefoongesprek vindt in Boston plaats. Op Op 10 maart 1876 – kort nadat Alexander Graham Bell het patent op de telefoon in handen kreeg – werd het eerste telefoongesprek gevoerd. Bell sprak met zijn assistent Thomas Watson, en vroeg hem: ‘Mr. Watson, come here. I want to see you’. Reis bedacht het woord ‘telefoon’, maar Bell wist met zijn vastgelegde patent de technologie te verspreiden. Een jaar later richt hij de Bell Telephone Company op. Dit is de basis voor het moderne telefoniesysteem. Volgens sommigen hebben we het woord bellen aan zijn naam te danken. Waarschijnlijker is dat het woord is afgeleid van de telefoonbel: het geluid van de telefoon als die overgaat.
Voordat de telefoon er kwam, was het al mogelijk om gecodeerde berichten over lange afstanden door te seinen via een telegraaf. Bellen zoals we dat nu kennen was nog niet mogelijk, al hing de uitvinding van de telefoon in de lucht. Meerdere mensen waren met de techniek bezig. Aan het begin van 1876 was tussen uitvinders zelfs een heuse strijd om het patent gaande.
Wie is de échte uitvinder?
Bell was concurrent Elisha Gray slechts een paar uur voor met het indienen van zijn patent. Maar zelfs na 150 jaar wordt nog betwist wie de telefoon nu écht heeft uitgevonden. De Schot zou er namelijk een handje van hebben gehad ideeën van anderen te gebruiken voor zijn eigen uitvinding.
Hij voerde daarover in de loop der jaren honderden rechtszaken, die hij allemaal won. Concurrent Gray was een van degenen die naar de rechter waren gestapt. Hij vond dat het ontwerp van Bell wel héél erg leek op dat van hem.
Ook de Italiaan Antonio Meucci wordt veel genoemd als de échte uitvinder van de telefoon. Hij zou in 1860 al een demonstratie hebben gegeven van zijn ’teletrofono’. Maar door financiële problemen lukte het hem niet zijn uitvinding in een patent vast te leggen. Bell, die toegang had tot het lab en materialen van Meucci, zou daarvan hebben geprofiteerd.
Meucci kreeg in 2002 overigens alsnog erkenning voor zijn werk in het Amerikaanse Congres. Al blijft het patent van Bell staan. Niemand zal ooit weten of de telefoon ook zo’n succes zou zijn geworden als Meucci het patent had verkregen.
1881: eerste telefoongesprek in Nederland
Op 1 juni 1881 opent de Nederlandsche Bell-Telephoon Maatschappij (NBTM) in Amsterdam het eerste telefoonnet van Nederland. Dat is op de zolder van Sociëteit de Groote Club op de Dam. Telefoniste mejuffrouw M. Scholten voert het eerste telefoongesprek met de woorden: ‘Ik verbind u door’. Er zijn 49 aansluitingen. Minstens honderd bedrijven en personen staan op de wachtlijst. Telefoonnummers hebben twee of drie cijfers.
Rond 1900: houten wandtelefoons, handmatige verbinding
De eerste telefoontoestellen zijn vrij groot en van hout. Meestal hangen ze aan de wand. Het toestel heeft een slinger. Door eraan te draaien, gaat de bel over bij de telefoniste van de telefooncentrale. De beller zegt met wie hij wil spreken en de telefoniste maakt handmatig de verbinding. Op een schakelpaneel steekt ze een kabel met stekker in de aansluiting van de persoon die de beller wil spreken.
1920 – 1940: uitvinding van de automatische telefooncentrale, oprichting PTT
In deze periode worden telefoons van (plaat)staal gemaakt. In 1925 wordt in Haarlem de eerste automatische telefooncentrale van Nederland in gebruik genomen. Voortaan kunnen bellers met een kiesschijf zelf een verbinding maken. In 1928 krijgt het Rijk het alleenrecht op het aanleggen van huistelefooninstallaties. Het is het ontstaan van de PTT: het Staatbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie. Vanaf de jaren dertig verschijnen telefoons van bakeliet. Het is een nieuw materiaal dat makkelijk in veel vormen is te persen.
1931: eerste telefooncel op straat
Het Amsterdamse Valeriusplein krijgt in 1931 de eerste telefooncel. Het is een automatisch munttoestel op straat waar je lokaal mee kunt bellen. Deze telefooncel lijkt een beetje op de bekende Engelse rode telefooncel maar dan in de kleur beige. In 1932 ontwerpt Leendert van der Vlugt de standaard grijze telefooncel: de Rijkstelefooncel. Dit model zal ruim 50 jaar deel uitmaken van het straatbeeld.
1940-1960: industriële productie van telefoons en standaardisatie
Na de Tweede Wereldoorlog begint het tijdperk van de standaardisatie van telefonie. Er is een enorme vraag naar telefoonaansluitingen en -toestellen. De wachttijden lopen op tot driekwart jaar. Om de belasting van het telefoonnetwerk binnen de perken te houden, wordt de abonnee dringend verzocht de gesprekken kort te houden!
1960-1980: plastic telefoontoestel, eerste model met toetsen
Rond 1960 verschijnen de eerste plastic telefoons. De PTT introduceert de T65. De T staat voor tafeltoestel, 65 voor het jaar waarin het toestel op de markt kwam (1965). Voor veel mensen is dit hun eerste telefoon. In de jaren zeventig en tachtig belt zowat heel Nederland ermee. Begin jaren ’70 verhuist de telefoon van de gang naar de woonkamer. En daar hoort een fraaie kleur bij. De T65 is voortaan ook verkrijgbaar in rood, groen, blauw, wit en oranje.
Rond deze tijd worden computergestuurde centrales in gebruik genomen. In 1974 verschijnt de eerste telefoon met druktoetsen. Dat gaat sneller dan met een kiesschijf en zorgt voor minder fouten. Om te voorkomen dat mensen die erg handig zijn met een rekenmachine de toetsen te snel intoetsen, is de indeling anders dan op een rekenmachine. De telefooncentrale zou overbelast kunnen raken!
1980-2000: nieuwe functies door computerchips; autotelefoon en GSM
Met de komst van computerchips vanaf de jaren 80 krijgt de telefoon meer mogelijkheden. Je kunt bijvoorbeeld nummers opslaan. Of het laatstgekozen nummer herhalen door toets 1 in te drukken. In 1980 gaat autotelefonie in Nederland van start. Het eerste model is zo groot dat de zendontvanger achter in de auto wordt gemonteerd. In 1986 verschijnt de Nokia Carvox 2453 in Nederland. Dit model kun je, inclusief accu, aan een riem over je schouder dragen. In 1990 komen de eerste handzame mobiele telefoons in Nederland. De telefoon raakt los van de draad.
1989: PTT wordt KPN
Op 1 januari 1989 gaat het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie (PTT) verder als zelfstandige onderneming. Voortaan heet het Koninklijke PTT Nederland NV (KPN).
1992: Greenhopper (Kermit)
In 1992 lanceert PTT Telecom Greenpoint. Dit is een netwerk met 5.000 contactpunten, waar je bij onder meer postkantoren en tankstations kunt bellen. Je hebt er een speciale telefoon voor nodig: de Greenhopper. Het toestel heeft ook de naam Kermit, naar de kikker van The Muppet Show. Het is een voordelig alternatief voor het dure autotelefoonnetwerk.
1994: Gsm-netwerk
In 1994 gaat het eerste gsm-netwerk in Nederland van start. Voortaan zijn bellers altijd en overal bereikbaar. De eerste, echte mobiele gsm-telefoons waarmee PTT Telecom de markt opgaat, zijn toestellen zoals de Motorola MicroTAC. Ook wel bekend als de fliptelefoon, vanwege het klepje dat je over het toetsenbord kunt klappen.
Doordat steeds meer huishoudens een eigen telefoon in huis kregen, dreigde in 1995 het aantal telefoonnummers op te raken. Daarom werden in een landelijke omnummeringsactie alle bestaande vaste telefoonnummers vervangen door een tiencijferig telefoonnummer. Iedereen kreeg een omnummerboekje in huis om te zien wat de nieuwe nummers waren.
Dat heette Operatie Decibel, een belangrijke en ingrijpende gebeurtenis, volgens Rex Leijenaar van Autoriteit Consument en Markt (ACM). De toezichthouder beheert de nationale telefoonnummervoorraad en publiceert regelmatig de telecommonitor. Daaruit bleek dat zo’n tien jaar geleden nog ruim zeven miljoen huishoudens een vaste telefoonaansluiting hadden. Nu zijn het er nog maar 3,8 miljoen.
De Pocketline Swing van 1998 is voor velen hun eerste mobiel. Het is een robuust toestel, met een schuifklepje en uitschuifbare antenne. Het is verkrijgbaar in vrolijke kleurtjes. In 1998 zijn er 3 miljoen mobiele aansluitingen.
Op dit moment zijn er 26 miljoen mobiele aansluitingen in Nederland in gebruik en zijn er nog 6,8 miljoen mobiele nummers beschikbaar. Een nieuwe Operatie Decibel lijkt dus voorlopig niet aan de orde.
Na 2000: sterke groei mobiele telefonie. Opkomst smartphone
In 2007 kwam Apple met de iPhone, een ‘smartphone’ zonder toetsenbord, maar mét touchscreen. Daarmee werd de moderne smartphone zoals we die nu kennen geboren; een complete computer in zakformaat. Het was een daverend succes. In Nederland moeten we nog een jaartje wachten. Maar vanaf 2008 kan iedereen beschikken over deze mobiele computer, waarmee je óók kunt bellen. Deze smartphone zorgt voor een ware revolutie. Je gebruikt hem voor e-mail, muziek luisteren, social media, internetbankieren en nog veel meer. Je kunt hem ook koppelen aan een smartwatch die vanaf 2013 doorbreekt. In 2025 betalen mensen aan de kassa vaker met hun smartphone of smartwatch dan met hun bankpas.
Wat komt er hierna?
Door technologische innovaties worden smartphones steeds slimmer, efficiënter, veiliger en duurzamer. Ze worden dunner en kleiner, de schermen uitklapbaar of oprolbaar en de batterijduur langer. Slimme software en kunstmatige intelligentie (AI) zorgen voor supersnel draadloos internet voor meerdere apparaten tegelijkertijd. Het aantal toepassingen blijft toenemen.
Bronnen: kpn.com; nos.nl; nu.nl; speld.nl; dutchcowboys.nl; umu.nl
