GGnet (St. Joseph Stichting)

De puisant rijke jurist J.P.G. Moorrees kocht 150 hectarewoeste grond in het zuidoostelijk deel van het huidige Zuidbroek. In 1846 liet hij de villa bouwen en omstreeks 1850 vond de grootschalige ontginning van het landgoed plaats. De neef van Moorrees, die gestudeerd had aan de landbouwuniversiteit Hohenheim in Duitsland, kreeg hierover de leiding. Hij huurde 250 dagloners in om voor zestig cent per dag het landgoed Hohenheim aan te leggen. Het landgoed deed dienst als modelboerderij voor de gehele omgeving en floreerde onder het toezicht van neef Moorrees.

De Veluwse keuterboeren spraken met spot en verbazing over zijn ongebruikelijke landbouwmethode, maar deze bleek wel succesvol. De Veluwse boeren hielden vee voor hun mest, om zo landbouwproducten te verbouwen. Neef Moorrees draaide dit om en verbouwde voedergewassen om kalveren en schapen te fokken voor de export naar Engeland. Na het vertrek van neef Moorrees ging Hohenheim achteruit en in 1902 werd het grootste deel van het landgoed aangeboden aan de pachters.

Op 29 april 1925 kochten de broeders Penitenten een landgoed aan de Deventerstraat in Apeldoorn. Het landgoed was toen 30 hectare groot. De broeders hadden al langer plannen om een derde stichting te bouwen voor roomskatholieke krankzinnigen uit de noordelijke provincies. 
Op 1 februari 1927 werd het St. Antonius-paviljoen ingezegend en een week later kwamen de eerste patiënten. De behandeling van de patiënten stelde vóór de Tweede Wereldoorlog weinig voor. De patiënten verbleven allemaal intern. Het was eigenlijk één groot dorp waar iedereen óf aan het werk was óf de hele dag in bed lag. 

Vaste architect

De St. Joseph Stichting had een vaste huisarchitect: Jan van Dongen Jr. geboren in 1896 te Breda, gestorven in 1973 te Apeldoorn.
Alle gebouwen die tot 1967 op het terrein van de stichting zijn neergezet zijn door hem ontworpen. Van Dongen had in 1924 de opdracht gekregen om de Fabianus & Sebatianus Kerk aan de Arnhemseweg te bouwen. Om beter toezicht op de bouw te kunnen houden was hij in augustus 1924 aan de Arnhemseweg in Apeldoorn gaan wonen.

Toen de Broeders Penitenten Hohenheim in 1925 kochten hoorden ze van de Deken dat er een goede katholieke architect in het dorp woonde. Zo kreeg van Dongen op voorspraak van de Deken de opdracht om een doktershuis te ontwerpen en twee paviljoens: het Antonius- en het Franciscuspaviljoen. Deze kwamen in 1927 gereed.

Hierna volgen in 1932 het Aloysius- en het Gerarduspaviljoen. Bij de ingang van het Gerarduspaviljoen is nog een leistenen herinneringstegel te zien. Dit paviljoen bestaat nu nog en is in gebruik als hoofdgebouw.
Een van de fraaiste bouwwerken is de kapel die in 1938 gereed kwam. Deze werd door Granpré Molière, die wel ‘peetvader van De Delftse School werd genoemd’, geroemd als een kenmerkend voorbeeld van deze stijl. Zoals blijkt uit de zorgvuldige detaillering, de geleding van het ingangsportaal met getrapte dakkanten en geboorte- en sluitstenen. En verder uit de Romaanse rondboog vensters en het gebruik van natuurstenen en baksteen.
Het gebouw van de arbeidstherapie is waarschijnlijk meer kenmerkend voor de ontwerpers Van Laarschot en voor Van Dongen Sr, dan voor Van Dongen jr. zelf. Dit is te herkennen aan de baksteen ornamenten van de Amsterdamse School. Dit gebouw hoorde bij de eerste gebouwenreeks. Mogelijk door de drukte of omdat men het wel prettig vond dat een oudere architect een oogje in het zeil hield, is in dit gebouw de hand van zijn vader goed te herkennen.

gemeentelijke monumentenlijst

Op het terrein van GGNet staan een aantal panden van Jan van Dongen Jr. op de monumentenlijst: de kapel; het Gerarduspaviljoen, nu ‘De Sprengen’; het Lambertuspaviljoen, nu ‘De Voorden’; de bakkerij; de arbeidstherapie en de boerderij. Deze vormen samen met de villa in het parkachtige aanleg een geheel van grote cultuurhistorische waarde waarin de geschiedenis van ontginning tot moderne psychiatrie is terug te lezen. Dit geheel is uniek in Apeldoorn met name door de prachtige gebouwen van de Delftse School. Helaas wordt het momenteel bedreigd, door enerzijds de hoge kosten die GGNet moet opbrengen voor onderhoud aan deze niet allemaal meer eigentijds functionerende gebouwen en anderzijds door de gemeente die ook op dit terrein woningen wil zetten.

Oorlog en het terrein

Vanaf januari 1943 kwamen steeds meer patiënten die verbleven in instellingen bij de kust, naar Het Groot Graffel. De Duitse bezetter vreesden voor een invasie van de geallieerden en hadden diverse gebouwen van instellingen aan de kust, gevorderd voor hun eigen manschappen. Zo verbleven op het hoogtepunt 1250 patiënten op het terrein terwijl er slechts 475 bedden beschikbaar waren. Een half jaar na de bevrijding verlieten de laatste geëvacueerden het terrein.

Patiënten in oorlogstijd

Patiënten in zorginstellingen behoren tot een kwetsbare groep in de samenleving, dat was vroeger nog meer het geval. Hoe kwetsbaar zij waren, bleek in Duitsland tijdens de Eerste Wereldoorlog. Toen kregen psychiatrische patiënten en mensen met een beperking in zorginstellingen te maken kregen met vermindering van de zorg en voedsel. Door verwaarlozing en al dan niet bewust uitgelokte sterfte werd er ‘ruimte’ gemaakt voor wat men zag als de ‘levenskrachtige’ delen van de bevolking. En Duitsland was tijdens die Eerste Wereldoorlog niet het enige land waar dat gebeurde, al was men er elders vaak minder openhartig over. Deze manier van ‘ruimte maken’ diende enkele jaren later als basis voor de grootschalige euthanasie programma’s in het Derde Rijk. Daarbij zouden uiteindelijk honderdduizenden patiënten in het Derde Rijk de dood vinden, niet alleen door versterving en andere min of meer ‘passieve’ maatregelen, maar ook door massamoord: de gaskamers zijn voor het eerst voor de moord op patiënten uit instellingen ingezet.

Het onderzoek in Nederland naar de geschiedenis van de inrichtingen tijdens WO II is nog steeds bezig. Uit de paar studies die zijn verschenen weten we inmiddels wel dat de sterfte in 4 inrichtingen bij een qua omvang ongeveer gelijkblijvende bevolking toenam van 2600 in 1942 tot 3700 overleden patiënten in 1945. Vooral ten tijde van de hongerwinter in de laatste maanden van 1944 en de eerste maanden van 1945 stierven in het Westen van het land een in vergelijking met de burgerbevolking, zeer hoog aantal patiënten door ondervoeding en ziekte. Op sommige plaatsen kwam wel een derde van de patiënten om het leven. Tekenend is dat een onderzoekscommissie van de geallieerden de situatie die zij in het voorjaar van 1945 aantrof in psychiatrisch ziekenhuis Zon en Schild in Amersfoort karakteriseerde als ‘the most serious picture of malnutrition in Holland’.

Periode na de Tweede Wereldoorlog

Er kwamen medicijnen en therapieën om de patiënten beter te behandelen. In 1953 kwam de eerste psycholoog in dienst.
In 1987 kreeg de St. Joseph Stichting een nieuwe naam: ‘De Wellen’. Het werd opener en er werd minder ‘geheimzinnig’ gedaan over patiënten. In 2000 fuseerde De Wellen met RIAGG Oost-Veluwe Apeldoorn en kreeg de nieuwe naam ‘Spatie’, waarna het in 2007 op ging in GGNet.

Luchtfoto van de St. Joseph Stichting, 1950-1960; foto: Coda, Apeldoorn

Wat het terrein ook bijzonder maakt zijn de mooie, grote en vaak oude bomen. Vooral in de herfst heel erg mooi. Er is ook een grote vijverpartij en een soort kinderboerderij. Er staan ook nog diverse oudere gebouwen die dienst hebben gedaan als werkverschaffing voor de cliënten.
Wat de toekomst wordt als GGNet verdwijnt is nog onzeker, al zijn er wel allerlei plannen. Het meest concrete is een asielzoekerscentrum.

Bronnen: o.a. www.geheugenvanapeldoorn.nl; www.verenigingoudapeldoorn.nl; www.oud-apeldoorn.nl

Terug naar overzicht van De wijk Zuidbroek.