Nostalgie naar vroeger

De geur van kolen, koude winters en de smaak van duimdrop

Wie vandaag de dag door een hypermoderne supermarkt loopt, kan het zich nauwelijks voorstellen: een tijd waarin je voor een onsje (mag het iets meer zijn) naar de kruidenier of drogist ging en de winter niet alleen een seizoen was, maar een fysieke vijand die je met gloeiende kolen en wollen dekens te lijf ging. De jaren tussen 1950 en 1970 vormen het collectieve geheugen van een Nederland dat nog overzichtelijk was, maar tegelijkertijd hardhandig wakker werd geschud.

Soms is nostalgie niets meer dan een geur of een liedje op de radio. Een paar akkoorden, en ineens sta je weer in de jaren zestig. Niet letterlijk natuurlijk, maar in dat zachte, geromantiseerde landschap van herinneringen waar alles net iets langzamer ging en de toekomst nog onbevangen leek.

Begin jaren 50 rook Nederland naar boenwas, Sunlight-zeep en de zware walm van kolenkachels. Het was een land in de steigers, waar de oorlog nog in de botten zat. Men leefde volgens de tucht van de zuinigheid. Moeder stopte de gaten in de sokken en de wasmachine was een luxe die alleen voor de ‘hoge heren’ was weggelegd.

De zaterdagavond was een heilig ritueel: de zinken teil werd voor de kachel gezet. De kinderen gingen één voor één in hetzelfde water, de jongste eerst, terwijl de radio zachtjes speelde. Het was een tijd van verzuiling; je las de krant van je eigen geloof en kocht je brood bij de bakker die dezelfde kerk bezocht. Het leven was klein, maar de sociale controle was groot.

Nostalgie smaakt nergens zo zoet als bij de snoepwinkel van toen. Geen glimmende plastic zakken, maar grote, zware glazen potten die de toonbank sierden. Voor een stuiver of duppie kreeg je een handjevol geluk. Er was de duimdrop, een kleverige sliert waar je uren op kon zuigen tot je duim zwart zag. Of de wijn- of toverballen, die zo groot waren dat praten onmogelijk werd. En wie herinnert zich nog de salmiakbrokken die je gehemelte bijna wegbrandden, of de zachte borsthoning die bij de drogist in brokken van een groot blok werd gehakt? Het was snoepgoed met karakter, vaak hard en ongepolijst, net als de tijd zelf.

De winters van nu, anno 2025/2026, zijn een schim van de ijstijden uit die periode. In de jaren 50 en 60 was de winter een serieuze aangelegenheid. De legendarische winter van 1963 staat in het geheugen gegrift als de Apocalyps van het ijs. De Noordzee was een ijsvlakte en de Elfstedentocht van dat jaar was geen sportevenement, maar een barre overlevingstocht. Met de auto over het ijs van het IJsselmeer, weet je nog?

Binnen bevroren de bloemen op de ruiten. De kachel werd roodgloeiend gestookt, maar drie meter verderop was het nog steeds stervenskoud. Men sliep onder loodzware dekens met een warme kruik (of een warme baksteen gewikkeld in een krant) bij de voeten. Het was afzien, maar het schiep een band; de wereld was wit, stil en voor even heel erg dichtbij.
Maar ook de winters van 1979 en 1985 staan nog in ons geheugen. Veel sneeuw, langdurige vorstperioden, overlast tot gevolg.

Ruim 20 jaar geleden was de grote afsluiting van wegen door sneeuw en winterse omstandigheden waarbij Apeldoorn bijna onbereikbaar raakte. Dat gebeurde tijdens een beruchte sneeuwstorm op vrijdag 25 november 2005. Door de storm viel er veel sneeuw en ontstonden enorme files: het verkeer op de A50, maar ook op andere snelwegen zoals de A1, A12 en A28, stond volledig vast. Treinen en bussen reden niet meer en hulpdiensten moesten mensen in stilstaande auto’s helpen met dekens en brandstof. Apeldoorn was daardoor in de loop van de middag feitelijk niet meer bereikbaar voor verkeer. Zelf heb ik er die middag 3 uur over gedaan met de auto van Velp naar Ugchelen!

Vanaf het midden van de jaren 60 begon het ‘oude’ Nederland te scheuren. De welvaart stroomde binnen via de gasbel in Slochteren. Na jaren van zuinigheid en herstel begon het land te ademen. Er kwam geld, er kwam ruimte, en vooral: er kwam nieuwsgierigheid.

De televisie verhuisde van luxeobject naar vast meubelstuk, aanvankelijk een houten kastje waar de hele buurt voor uitliep, werd het nieuwe altaar in de woonkamer. De zwart-wit beelden van Swiebertje en Pipo de Clown maakten plaats voor de eerste kleurenbeelden en de rebelse klanken van de Beatles. Het liet zien dat de wereld groter was dan de straat of het dorp. Dat alleen al veranderde alles.

De ringbaardjes en de vetkuiven deden hun intrede. De brommer (Zündapp, Kreidler, Puch) werd het symbool van vrijheid voor de jeugd, die niet langer precies wilde doen wat de pastoor of de dominee zei. De spruitjeslucht klaarde langzaam op en maakte plaats voor de eerste geuren van bami en macaroni – de grote wereld kwam eindelijk naar het lage land.

Wie jong was in die tijd, herinnert zich niet zozeer de grote politieke discussies, maar de kleine verschuivingen. Langere haren. Kortere rokken. Muziek die harder klonk dan ouders prettig vonden. Het gevoel dat je niet meer automatisch hoefde te worden wie er van je verwacht werd dat je zou zijn. Dat was misschien wel de grootste revolutie.

Ja, de welvaart groeide en ja, jongeren kregen een stem. Maar laten we niet vergeten dat die vrijheid ongelijk verdeeld was. Wie niet jong, mannelijk en wit was, moest vaak nog lang wachten op echte emancipatie. Nostalgie poetst die rafelranden moeiteloos weg.

Wat we eigenlijk missen, is niet de tijd zelf, maar het gevoel van richting. In de jaren zestig en zeventig leek vooruitgang logisch, bijna onvermijdelijk. De toekomst was iets waar je naartoe liep, niet iets waarvoor je je moest indekken. Vandaag voelt dat anders. We leven in een tijd van crises, nuance, polarisatie en wantrouwen. Terugkijken is dan aantrekkelijker dan vooruitkijken.

De verheerlijking werkt ook verlammend. Door het verleden steeds als moreel hoogtepunt te presenteren, doen we alsof echte verandering alleen toen mogelijk was. Alsof idealisme een afgesloten hoofdstuk is. Dat is gemakzuchtig. Het ontslaat ons van de plicht om nu zelf risico’s te nemen.

De Provo’s (rebelse stad Amsterdam) worden vaak genoemd als bewijs dat het anders kan. Maar zij wachtten niet tot hun tijd ‘historisch’ werd. Ze handelden, ze provoceerden, ze accepteerden chaos en mislukking. Dat aspect verdwijnt meestal in onze veilige nostalgie.

Aan het eind van de jaren zestig trokken hippies van heinde en verre naar het monument op de Dam om er in de zomer in de open lucht te bivakkeren; soms verbleven er enkele honderden. Het verschijnsel had voor- en tegenstanders. Het Amsterdamse gemeentebestuur liet het aanvankelijk oogluikend toe, maar het leverde problemen op met betrekking tot de openbare orde en hygiëne. De gemeente Amsterdam wilde in 1969 al een eind maken aan het slapen op de Dam. In 1970 kwam de gemeente, met aan het hoofd burgemeester Samkalden, met een verbod. Het verbod ging in op 24 augustus 1970 en leidde tot heftige rellen, waarbij 50 gewonden vielen en plunderingen voorkwamen.
De volgende dag was het nog niet rustig op de Dam en besloten 80 man uit Doorn en Den Helder het recht in eigen hand te nemen. Zij sloegen de hippies met knuppels en koppelriemen van de Dam. Dit resulteerde in het schoonvegen van de Dam.

Was het in Apeldoorn in de jaren 50 en 60 een saaie boel? Zeker niet! Wie heeft er niet gedanst in de Eurobeurs of staan swingen op jazz- en dixielandmuziek in de ATS aan de Loolaan? Of misschien ging je liever naar La Bordelaise, Soos ’59, of juist de Groene Fles? En kun je ‘Send me the pillow’ nog meezingen van Lydia and the Melodystrings? Of hield je meer van André Roothaer of rock ‘n roll? Een tijd met verschillende muziekstromingen en diverse plekken om uit te gaan. Nederland was vijftig jaar geleden in de ban van Rock & Roll; de burgers sidderden terwijl de jeugd danste en joelde. En dat alles naar aanleiding van de film ‘Rock around the Clock’ van Bill Haley en zijn Comets. Wat herinner jij je nog van toen, als inwoner van Apeldoorn?

In Apeldoorn werd de film verboden en relletjes bleven niet uit. Iemand opende de ramen van de woning boven de groentewinkel en draaide op zijn pick-up het gewraakte nummer ‘Rock around the Clock’. Terwijl de muziek over de markt schalde, begonnen mensen te dansen. Daarna liep de zaak verder uit de hand: jongeren sprongen voor een stadsbus die zich door de menigte probeerde te wurmen, anderen gooiden met bloemkolen  en er werd gescandeerd: ‘Rock and roll’!  De politie greep in, hield twee jongens aan. Relletjes in Apeldoorn waren het gevolg.
Ook de volgende avond was het weer druk in de binnenstad. Belust op sensatie trokken niet alieen steeds aangroeiende groepen jongelui naar Apeldoorn, maar ook vaders en moeders, peuters van vier tot tien jaar tussen zich in, kwamen kijken alsof het Sinterklaas of Koninginnefeest was. Af en toe hieven de jongelui, wetend dat er iets van hen verwacht werd, een ‘wij willen rock en roll-geschreeuw’ aan, maar tot ernstige baldadigheden kwam het niet. Er was een versterkte politiemacht op de been, die zo nu en dan hardhandig moest optreden, doch tegen middernacht was alles weer rustig. Voor een aantal jongelingen zal deze rel een staartje hebben. Door de politie werden zes personen aangehouden en ingesloten.
Het bleef nog een paar dagen onrustig, maar Apeldoorn kon weer verder leven en slapen. Al dat grote stedengedoe was niks voor Apeldoorn.

Misschien moeten we stoppen met verlangen naar de jaren zestig en beginnen met ons af te vragen waarom we vandaag zo weinig durven te dromen. Nostalgie is comfortabel, maar verandering is dat nooit geweest. Ook toen niet. Het verschil is alleen dat we dat vergeten zijn.

Misschien dat we daarom nu, in een digitale en jachtige wereld, zo graag terugdenken aan die ene zuurstok uit de glazen pot. Een echt koude winter met langdurig koud weer maar wel met veel zon en overal te kunnen schaatsen of sleetje rijden. Het was niet per se beter, maar het was wel heel erg ‘echt’. En wat is er mis mee om eens achterom te kijken, daar is nostalgie voor, toch?

Bronnen:
YouTube; Nieuwe Apeldoornse Courant; dingenvanvroeger.nl; hetmow.nl/nostalgie.

Publicatie: 26-12-2025; gewijzigd: 27-12-2025.