Blog maart / Leestijd: 5 minuten
Ouder worden brengt wijsheid en levenservaring met zich mee, maar ook lichamelijke veranderingen die het dagelijks leven soms lastig maken. Veel ouderen merken dan dat hun lichaam stijver wordt. Ouder worden is prachtig, zeggen ze. Helaas vergeten ze erbij te zeggen dat die wijsheid komt met stijve knieën, krakende schouders en een lichaam dat ’s ochtends pas na twee koppen koffie en een korte onderhandeling op gang wil komen.
Het ochtendritueel
De ochtend is het hoogtepunt van de dag. Niet omdat het leuk is, maar omdat er dan het meeste misgaat. Wakker worden is tegenwoordig geen vanzelfsprekendheid meer, maar een spanningsmoment. Ik open voorzichtig mijn ogen, blijf doodstil liggen en luister. Geen wekker. Geen vogels. Alleen mijn lichaam, dat alvast begint te kraken alsof het zich uitrekt voor weer een zware dag die het niet van plan is serieus te nemen.
Dan volgt de inventarisatie. Rug: aanwezig, maar duidelijk tegen. Knieën: in staking. Heup: onvindbaar. Nek: doet alsof hij gisteren iets heel zwaars heeft getild, wat niet klopt, want ik heb alleen gelegen. Mijn lichaam liegt nu ook al.
Uit bed komen is geen beweging, maar een act. Ik rol naar de rand, blijf even hangen en hoop dat de zwaartekracht mij zonder verdere schade naar een staande positie begeleidt. Eenmaal rechtop blijf ik stokstijf staan, want te snel bewegen leidt tot duizeligheid, sterretjes zien en het vermoeden dat dit misschien mijn laatste ochtend was.
Aankleden: verlies van waardigheid
Aankleden was ooit een bijzaak. Iets wat je deed terwijl je met andere dingen bezig was, zoals denken. Tegenwoordig vereist het volledige aandacht, een plan van aanpak en minimaal één stoel binnen handbereik. Het moment waarop ik dagelijks mijn waardigheid verlies. Toch eens nadenken over cursusje valpreventie.
Sokken zijn het eerste obstakel. Sokken liggen daar uitdagend op de grond, wetende dat ik iets moet doen wat ik eigenlijk niet meer kan. Ik probeer een been omhoog te brengen, verlies mijn evenwicht en grijp naar alles wat niet vastzit. Het lichaam doet alsof dit allemaal volkomen normaal is. Ik vang mezelf op aan een stoel die hier inmiddels niet meer uit luxe staat, maar uit noodzaak. Halverwege de sok vraag ik me af of dit allemaal wel nodig is. Wie kijkt er eigenlijk naar mijn voeten?
Broeken zijn niet beter. Staand aantrekken is een gokspel. Zittend aantrekken betekent dat je daarna ook weer moet opstaan, een fout die je maar één keer per dag wilt maken. Ritsen doen het alleen als ze daar zelf zin in hebben, of er zit weer ‘iets’ tussen. Het is een machtsstrijd die ik zelden win.
Overhemden een probleem op zich. Knopen zijn zo klein geworden dat ik vermoed dat ze ’s nachts krimpen. Het zijn miniatuur-martelwerktuigen, vooral aan de mouwen. Mijn vingers reageren traag en soms helemaal niet.
Halverwege het aankleden vraag ik me af voor wie ik dit eigenlijk doe. Niemand ziet mij of controleert mijn kleding. Toch ga ik door. Trots is een hardnekkige aandoening. Na afloop ben ik moe. Niet aangekleed-moe, maar ik-heb-iets-meegemaakt-moe.
Na het aankleden volgt het eerste zitten van de dag. Dat voelt veilig maar is het niet. Zitten is een hinderlaag. Want opstaan daarna is alsof mijn gewrichten tijdens het zitten hebben besloten om permanent samen te smelten. Het geluid dat daarbij vrijkomt klinkt alsof ik inwendig word afgebroken en opnieuw slordig in elkaar is gezet.
Bukken om iets op te rapen? Alleen na een uitgebreide risicoanalyse. Is dit object belangrijk? Emotionele waarde? Kan ik het missen? Zo ja: laten liggen. De vloer verzamelt inmiddels een keurige collectie spullen die het bukken niet waard waren. Misschien toch eens denken aan een struikelblok (robotstofzuiger) of zo’n ding waarmee je iets op kan pakken van de grond of van een hogere plek.
Boodschappen doen: een expeditie zonder EHBO-post
Buiten lopen is een survivalshow. Stoeptegels liggen strategisch verkeerd, bladeren zijn gladder dan ijs en elk winkelcentrum lijkt ontworpen door iemand die ouderen actief haat. Ik loop niet — ik navigeer. Met kleine stapjes. Volledige concentratie. Eén verkeerde beweging en de show eindigt voortijdig. Toch maar eens senioren fit-oefeningen doen.
De supermarkt is geen winkel. Het is een hindernisbaan met achtergrondmuziek. Ik kom binnen met een lijstje van drie dingen en een vast voornemen om ‘het rustig aan te doen’. Dat voornemen verdwijnt zodra iemand met een winkelwagen mijn hielen nadert. Haast is mijn vijand, maar sociaal ongemak is erger.
De schappen liggen te laag of te hoog. Niets zit op grijphoogte. Bukken is een risico, reiken een avontuur. Als iets op de onderste plank ligt, laat ik het staan. Ik heb geleerd dat product vervangbaar is, maar mijn heup niet. Bij de kassa sta ik te lang, beweeg ik te langzaam en voel ik de druk van mensen achter me. ‘Meneer, we hebben ook zelfscan kassa’s voor die paar boodschappen’. Hou op zeg, al die nieuwe fratsen en controle van je karretje bij het afrekenen. Sta je weer te wachten. Mijn lichaam versnelt niet meer en negeert sociale stress volledig.
Thuisgekomen moet alles ook nog worden opgeruimd. Tegen de tijd dat dat lukt, ben ik vergeten waarom ik eigenlijk ging. Ik had toch een lijstje gemaakt?
Opstaan van de bank: de terugkeer naar het leven
De bank is comfortabel. Dat is precies het probleem. Zitten voelt veilig, warm en vredig. Totdat je weer wilt opstaan. Dan blijkt dat je lichaam tijdens het zitten een collectief besluit heeft genomen om niet meer mee te werken.
Zitten is een illusie van veiligheid. Je ploft neer, denkt ‘zo’, en bij het opstaan blijkt dat je knieën zich hebben omgevormd tot decorstukken uit een spookhuis. Ik zet mijn handen neer, leun voorover en duw. Er gebeurt niets. Nog een keer. Geluiden ontstaan. Het zijn geen menselijke geluiden, maar ook geen mechanische. Iets ertussenin. Het gekraak dat daarbij vrijkomt is zo luid dat ik me afvraag of buren denken dat ik meubels sloop.
Eenmaal rechtop blijf ik even staan om te controleren of alles het nog doet. Dat duurt langer dan verwacht. De bank kijkt me aan. We weten allebei dat ik hier straks weer eindig. En laten we eerlijk zijn: vallen is geen optie. Waar je vroeger struikelde en doorliep alsof er niets gebeurd was, maak je nu eerst een mentale risicoanalyse voordat je een stoepje op stapt. Veiligheid boven snelheid — wie haast heeft, is duidelijk jong!
Traplopen: hoogmoed komt voor de val
De trap is veranderd. Niet zichtbaar, maar moreel. Waar ik vroeger twee treden tegelijk nam, kijk ik nu eerst. Traplopen vereist planning, leuningen en respect. Treden worden steeds hoger en smaller, lijkt het. Halverwege vraag ik me af waarom ik boven ook alweer iets nodig had. Boven aangekomen moet ik even herstellen. Niet van de inspanning, maar van het feit dat ik dit serieus inspanning noem. Naar beneden gaan is nog spannender. De zwaartekracht is enthousiast, mijn knieën niet.
Slapen: nachtelijk verraad
Slapen was vroeger rust. Nu is het een onderhandeling. Ik lig goed. Perfect zelfs. Tot mijn schouder zich meldt. Dan draai ik. Dan klaagt mijn heup. Dan protesteert mijn rug. Geen houding wordt langer dan twintig minuten geaccepteerd. Rond drie uur ’s nachts lig ik wakker en overdenk mijn leven. Niet filosofisch, maar praktisch. Hoe laat moet ik op? Doet dit morgen nog pijn? Was dit vroeger ook zo?
In slaap vallen lukt uiteindelijk. Wakker worden is het volgende probleem.
Even snel: de grootste leugen van allemaal
Even snel iets doen bestaat niet meer. Even snel opstaan. Even snel bukken. Even snel naar de winkel. Mijn lichaam hoort even snel en schakelt automatisch terug naar voorzichtig, langzaam en met tegenzin. Ik heb geleerd dat snelheid overschat wordt. Alles wat snel moet, gaat fout. Alles wat langzaam gaat, gaat meestal ook fout — maar minder dramatisch. Maat de tijd gaat steeds sneller, ervaar ik.
Toch ga ik door, elke dag opnieuw
Niet uit moed, maar omdat er geen alternatief is. Mijn lichaam is onbetrouwbaar, traag en licht vijandig, maar het doet het nog. Meestal. Met tegenzin.
Toch zit er ook iets geruststellends in. Je kent je lichaam inmiddels door en door (letterlijk), weet wat het aankan en wanneer het tijd is voor rust. Met wat humor, een paar handige hulpmiddelen en de kunst van het relativeren kom je een heel eind. Zoals deze blog.
Ouder worden is misschien geen sprint meer, maar een bedachtzame wandeling. Met af en toe een pauze. Dat is ook prima. En eerlijk is eerlijk: het zijn mijn ongemakken, mijn krakende knieën, maar ik leef en loop nog steeds. Zolang ik zelf nog kan lachen — hardop, cynisch en zonder schaamte — wint het lichaam niet en blijf ik doorgaan. Daar hebben we de wandelgroep voor. Langzaam misschien, maar met stijl. En toch weer een jaartje ouder!
Ugchelen, maart 2026
John de Jager
doddendaal@icloud.com
